Pinkpop, de voorstelling.

Op het eerste gezicht is het een doorsnee schouwburgpubliek. De vrouwen -van een zekere leeftijd- zijn naar de kapper geweest, ze dragen mooie jurken, elegante sieraden, een enkel parelkettinkje. De hen vergezellende mannen zijn gepensioneerde leraren Duits, kalend, grijs met ’n buikje. Maar daar aan de bar van de foyer staat ander volk, kerels met lange manen in een paardestaart, ze dragen T-shirts met ruige teksten, hebben een pilsje in de hand en ja, een buikje. We zijn bij de voorstelling Pinkpop in Sittard. 

Ik kijk om me heen en stel me voor dat ik met deze mensen ooit in het Burgemeester Damenpark in Geleen op het gras heb gelegen. Voor drie gulden vijftig waren we een dag bij het eerste popfestival in Limburg, volgens de geschiedschrijving. Maar ik weet beter. Ik stond op de Gulpenerberg in mei 1969, een paar dagen voor mijn 16e verjaardag en zag hoe Armand werd bekogeld met modder en fel van zich afbeet. Pinknik heette dat feestje. Een voetnoot in de geschiedenis maar een mijlpaal in mijn muzikale reis. 

Als d’er Wiel, de gids in dit verhaal, gespeeld door een geloofwaardige oude man die met z’n been sleept, -Huub Stapel speelt zijn lichamelijk ongemak niet- zijn verhaal vertelt, over zijn eerste Pinkpop met zijn eerste en latere lief, krijg ik het te kwaad. Mijn vrouw en ik, we kijken elkaar aan  op rij 15.  Same story.

Herinneringen komen weer boven uit de Limburgse geschiedenis. Pijnlijke ook. Die Naftakraker, mijn God, een van de veertien doden was de broer van onze zwager Jean. 

Het zicht op het toneel wordt wazig als Wiel met z’n overleden vader praat. ‘Zorg je goed voor de mam?’ ‘Jao pap.’ Veel vaders stierven vroeg, die van Wiel maar ook die van Stapel. En de mijne. Jao pap. Er zijn soms weinig woorden nodig om die snaar te raken.

‘Vader’ Jack Poels is gelukkig wel ouder geworden in werkelijkheid. Dat wordt mooi zichtbaar als de mannen van Rowwen Hèze op het toneel samenvallen met geprojecteerde beelden van de jonge goden die ooit op Pinkpop energiek hetzelfde nummer speulden. Want dat is de ontroerende boodschap van deze love story. De tijd heelt alle wonden -en slaat er nog veel meer, voegde Hans Dorrestijn daar ooit aan toe- maar onze liefde blijft altijd bestaan. Voor de muziek, voor het leven en voor elkaar.  Toujours.

Advertenties

About this entry